systemisch werk
Ik moest eerst dochter worden om moeder te kunnen zijn

____

Begin dit jaar ben ik begonnen met de basisopleiding systemisch werk aan de Academie voor Systemisch werk. Super blij ben ik met deze stap, waarvan ik voel dat dit de verdieping gaat brengen in het (sjamanistische) werk dat ik tot nu toe doe. Niet alleen een mooie stap in mijn professionele ontwikkeling, ook persoonlijk maak […]

Begin dit jaar ben ik begonnen met de basisopleiding systemisch werk aan de Academie voor Systemisch werk. Super blij ben ik met deze stap, waarvan ik voel dat dit de verdieping gaat brengen in het (sjamanistische) werk dat ik tot nu toe doe. Niet alleen een mooie stap in mijn professionele ontwikkeling, ook persoonlijk maak ik weer mooie stappen. Hieronder deel ik graag een stukje dat ik geschreven heb naar aanleiding van een familieopstelling. Het is kwetsbaar en persoonlijk én ik weet tegelijkertijd dat het herkenbaar gaat zijn voor veel vrouwen.

Eigenlijk heb ik er nooit mogen zijn.

Toen ik in mijn moeders buik zat wilden de mensen om haar heen dat ze abortus zou plegen. Altijd heeft er iets aan me geknaagd van het gevoel niet welkom te zijn, niet gezien en erkend worden. Er was geen plek voor mij.

Dus maakte ik me klein, verstopte mijn hart. Als ik er niet echt ben, dan kan ook niemand boos op me worden. Ik vermande mezelf en vanaf kleins af aan hield ik me groot.

In systemisch werk noemen ze dit een magische beweging. Een mechanisme dat je jezelf aanleert om te overleven als kind. Dit wordt zo diep in je zijn verankerd, dat je dit vaak de rest van je leven meedraagt. Terwijl je op een gegeven moment de fase bereikt dat het niet meer nodig is om dit te gebruiken.

Ik zie nu dat ik uit een lijn kom van vrouwen die heel veel alleen hebben gedragen. Vrouwen die zich klein maakten en groot hielden. Vrouwen die een kleine moeder hadden en daardoor zelf niet echt kind konden zijn.

Zo was het. Zonder dat er een schuldige aangewezen hoeft te worden. We deden dit allemaal om te overleven.

Dit is wat mijn dochters me nu laten zien. Ze maken zich groot, houden zich sterk, zijn boos. Ze vragen aan mij om er te gaan staan als moeder, onvoorwaardelijk, verankerd, stevig, sterk, begrenzend én liefdevol. En om dit op een vrije stromende manier te kunnen doen, heb ik me ook echt eerst klein te voelen. Ik moet voelen dat ik een dochter ben van mijn moeder, ook al heeft ze niet kunnen zijn wat ik als kind nodig had, omdat zij dit voorbeeld als kind ook niet heeft gehad en zo eeuwenlang terug…

Nog een keer kijk ik terug naar de lijn die achter me ligt en een voor een mogen mijn voormoeders hun pantser loslaten. Ze hoeven zich niet meer groot te houden, ze mogen voelen dat ze ook klein zijn. Het is veilig, het is goed.

Ik draai me om en voel mijn voormoeders in mijn rug. We worden gedragen in de bedding van de Oermoeder. Voor me zie ik mijn dochters. Terwijl de tranen over mijn wangen stromen, wetende dat het hier stopt, zeg ik:

‘Ik ben jullie moeder en jullie zijn mijn dochters. Ik ben de grote en jullie zijn de kleine. En zo is het.’